Tentoonstelling — Beeldhouwwerk, Digitale kunst, Installatie

Front space – Job Koelewijn

Datum:
25 juni t/m 30 juli 2022
Deelnemer:
→ Galerie Fons Welters
Bloemstraat 140
1016 LJ Amsterdam
Open:
  • dinsdag 13:00—18:00
  • woensdag 13:00—18:00
  • donderdag 13:00—18:00
  • vrijdag 13:00—18:00
  • zaterdag 13:00—18:00
→ meld je aan voor dit evenement
Vandaag open van 13:00 tot 18:00

Maria van Oosterhout in gesprek met Job Koelewijn

Literatuur en poëzie zijn altijd stuwende krachten geweest voor je artistieke praktijk. Een praktijk die, hoewel divers in media, materiaal en referenties, wordt samengebracht in een nieuwe synthese, waarin kunst een daad van regeneratie en zuivering wordt. Hoe kijk je nu terug op je vroege werk waarin literatuur en poëzie een rol speelden, zoals Passage (1995)? Voor het werk Passage pakte je bouillonblokjes in met gedichten uit Dantes La Divina Commedia en omlijstte je met de blokjes een van de doorgangen in het Stedelijk Museum Amsterdam.

Dat klopt, vanaf dag één is het altijd zo geweest en zat er voor mij iets existentieels in. Aanvankelijk, op de Rietveld Academie, probeerde ik poëzie uit te beelden door middel van schilderen. Dat werkte niet. Toen begreep ik dat een gedicht in de geest heel beeldend is, maar dat er in de schilderkunst keiharde formele vragen zijn. Het heeft vijf, zes jaar geduurd voordat ik een vorm had gevonden om het uit te drukken. De poëzie kon ik niet loslaten, de schilderkunst wel. De eerste keer dat het klopte was in Passage, metDante. Bouillon is een positieve energie, een geconcentreerde vorm van energie, en dat is poëzie in wezen ook. Volgens Dantes schoonheidsideaal moet je een materiaal of een figuur laten spreken. Als je een boef hebt, moet je die boef als een boef laten praten. Je moet de juiste stem vinden voor ieder figuur, het juiste materiaal voor ieder idee. Zodat het klopt, dan is het mooi. Dit gegeven is voor mij leidend geworden.

Je begon met het Ongoing Reading Project in 2006. Iedere dag lees je 45 minuten lang, de lengte van een cassettebandje, hardop, James Joyce, Spinoza, Baudelaire, Susan Sontag. Dit neem je op. Datum, boek, gelezen bladzijden en tijd worden genoteerd. Na zestien jaar lees je nog steeds iedere ochtend. Wat heeft je deze zestien jaar bezig gehouden? Wat houdt dit lezen voor jou persoonlijk in?

Ik ben op 1 februari 2006 begonnen met hardop lezen als een soort uitspraak naar de wereld, maar natuurlijk had ik op 2 februari niet gelezen. Je begint ergens aan, je zoekt naar de juiste vorm. Na het derde boek ging ik twee boeken door elkaar lezen. Dat voelde heel gek. Pas na het zevende boek, na bijna een jaar oefenen begreep ik dat het ritme van belang was. De verdieping van het ritme. Het doordringen van het alledaagse. Of het boek dik of dun is, je leest 45 minuten.

Na tien jaar lezen kwam er een nieuwe fase. Het ging me om verticaliteit. Ik wilde dieper gaan. Ik begon de gemaakte opnames opnieuw te beluisteren. De herhaling werkte goed; het gelezene dringt door, het resoneert. Ik begon met het maken van cd-boeken, boeken met cd’s met de opnames, tekeningen en teksten uit de boeken.

Wat bedoel je met verticaliteit? Het steeds dieper opnemen en uitwerken van het gelezene?

Ja, ik lees het boek nog een keer, beluister de opnames en krijg dan weer nieuwe inzichten. Mondriaan en Malevich zeiden over hun oeuvre, als wij ons werk zouden losmaken van de

intentie dat we iets aan de maatschappij willen veranderen, dan blijft er niks over dan narcistische grandeur, het fetisjeren van objecten, het uitdijen van je oeuvre op horizontale wijze. Daarom ben ik op zoek naar verticaliteit. De betekenis van de woorden moet in de diepgang gezocht worden.

In 2009 begon je met het maken van reliëfs, wandsculpturen met op plankjes de gelezen boeken met daar bovenop de bijbehorende cassettebandjes. Hoe dikker het boek, hoe hoger de stapel. Datum, boek, bladzijden en tijd staan genoteerd op de cassettebandjes. Daarop volgde een digitale versie: een laptop-vormige sculptuur, met op het ‘scherm’ ingelaserd opnieuw datum, boek, bladzijden en tijd, en op de plek van het toetsenbord USB’s met je opnames. En nu ook QR-codes. Is dit de eerste keer dat de toeschouwer de opnames kan horen?

Eerder timmerde ik een grote geluidsbox waar de toeschouwer in kon staan en luisteren. [2010, tentoonstelling in Almere]. Ik worstelde lang, hoe geef je zoiets vorm? Duchamp sprak van de dictatuur van de retina, de retinal code. Hij verwees daarbij naar kunst die vooral of uitsluitend het oog aanspreekt en niet zozeer de geest. In mijn laatste werken is het geluid bijna belangrijker dan het visuele aspect.

Je analoge werken hebben een bepaalde spanning, men verneemt dat op de cassettebandjes jouw stem te horen is die het boek leest, maar kan dat niet verifiëren, of zelf beluisteren. Bij de QR-codes is het werk juist heel toegankelijk.

Ja, dat wil ik ook. Een boek is een fysiek ding, maar de inhoud is niet tastbaar. In dit werk maak ik het ontastbare tastbaar. Voelbaar, men kan het ervaren.

Je werk maakt aanspraak op het zintuigelijke, de ervaring, het gevoel. Niet alleen zien is van belang, maar ook ruiken (met materialen als inhalatiezalf, pepermunt, eucalyptus, babypoeder) en horen (brekende spaghetti onder de voeten van het publiek). Het Ongoing Reading Project is nu ook een auditief werk. Kun je hier iets over zeggen? Wat is de relatie tussen performer en publiek? Wat is de rol van de toeschouwer?

Ik ben altijd opzoek naar de juiste manier om mijn ideeën over te brengen en wil daarbij het enkel visuele overstijgen. Wat is nu belangrijker? Ademen of kijken? Er is een hiërarchie! Ik wil mensen wakker schudden, de ervaring van een moment of een plek intensiveren. Mijn kunstenaarschap is pas begonnen met mijn ongeluk, toen ik op de intensive care lag. Ik werd toen overvallen door een soort herbeleving van de realiteit. Vanaf dat moment las ik literatuur en poëzie met de letter en de geest. Ik gebruik nu mijn eigen stem als materiaal, het is authentiek, het is van mezelf, het is in onbeperkte mate beschikbaar. Mijn stem is de kwast waarmee ik de woorden uit de boeken schilder.

Waar komt het lezen vandaan?

Als kind heb ik nooit getekend, maar ik las altijd al boeken. Ik begon met de Kameleon en Pietje Bell. En die las ik eigenlijk ook al zes keer. Taal en lezen was iets dat altijd op de achtergrond was. Op mijn veertiende leerde ik uit mijn hoofd: O eenzaamheid wat ben je overbevolkt. Ik wist niet wat het betekende.

Het existentialisme van Sartre heb ik zelf ontdekt op mijn eigen kamertje. Ik ben christelijk opgevoed, maar toen ik voor het eerst las dat Jean-Paul Sartre zei ‘God bestaan niet en we zijn gedoemd tot vrijheid, alles is mogelijk’, was ik verbluft. Veel jongens zouden het boek wegleggen, maar ik zat te smullen.

Toen ik naar de Rietveld Academie ging heb ik een paar jaar ‘zap’ gelezen. Ik had een tafel thuis met zes opengeklapte boeken. Dan las ik bijvoorbeeld bladzijde 46 van het ene boek en bladzijde 8 van het andere. Ik voelde me een contemporary reader. En toen dacht ik, het moeilijkste wat je nu kan doen is een boek lezen en het helemaal uitlezen, want dat heb je al zeker tien jaar niet gedaan. We leven bij uitstek in een tijd waarin er aan alle kanten aan je concentratie wordt getrokken.

Ik ben geen taoïst, maar het taoïsme heeft me wel geïnspireerd. Ik had de Cinema on Wheels (1999), een mobiele bioscoop waarbij de bezoeker plaatsneemt in een bioscoopstoel en kijkt naar een leeg kader, het bioscoopscherm is vervangen door een rechthoekig venster, nooit kunnen maken als ik niet veel van de boeddhistische en taoïstische literatuur had gelezen. Over het idee van tijd. Over stilte en rust. Tijdens rust begint het echte werk: ‘Learn to work without effort’.  

Zoals je al zei, je werken worden vaak gezien als interventies met als doel de ervaring van een plek, een moment of een handeling te intensiveren. Zestien jaar lang las je iedere dag 45 minuten hardop. Zou je dit lezen als een soort levenslange performance kunnen zien?

In zekere zin. Lezen is onderdeel van mijn leven en de ruggengraat van mijn artistieke praktijk. Het gaat erom dat je jezelf een doel stelt. Zelfs het drukken op de knop van de cassetterecorder was na mijn ongeluk een soort overwinning.

Het vereist discipline en inspanning, thema’s die terugkomen in jouw artistieke praktijk.

Het is een vorm van verslaving. In eerste instantie is het om de geest te scherpen. Mijn geest, maar door de QR-codes ook andere geesten. Hoe geweldig zou het zijn als ieder kind op school één gedicht per jaar uit het hoofd zou leren? Dat wordt mijn volgende project.

Job Koelewijn had onder meer solotentoonstellingen bij: Museum De Pont, Tilburg, Nederland; Henry Moore Foundation, Verenigd Koninkrijk; Foksal Galerie, Polen; Kiasma Museum for Contemporary Art, Finland; Chisenhale, Verenigd Koninkrijk; Van Abbemuseum, Nederland. Zijn werk was onderdeel van de 1st Asia Biennial/5th Guangzhou Triennial: Asia Time’, Guangdong Museum of Art, Guangzhou, China; ‘Everywhere’, Busan Biennial, Zuid-Korea; ‘Post Natural’, Ca’Zenobio, 49th Venice Biennial, Italië; ‘Appertutto’ 48th Venice Biennial, curated by Harald Szeemann, Italië; ‘Among Others (curated Bart de Baere)’, San Francesco della Vigna, 46th Venice Biennial, Italië. Koelewijns werk is deel van de collecties van onder meer het Stedelijk Museum Amsterdam (NL), MUHKA (BE), Guangdong Museum of Art (CN), S.M.A.K. Gent (BE) en Museum Voorlinden (NL).